Reactie ministerie op zienswijze gemeente spoorvervoer

woensdag, 05 september 2012 11:35
Afdrukken

(Bron: Nieuwsuitdelden.nl , 5 september 2012)

Delden – 05-09-2012 – In de periode van 22 december 2011 tot en met 15 maart 2012 was het mogelijk een zienswijze in te dienen op de ‘Ontwerp Notitie Reikwijdte en Detailniveau Milieueffectrapportage Programma Hoogfrequent Spoorvervoer Goederenroutering Oost.Nederland’. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft in totaal ruim 1600 zienswijzen ontvangen, waaronder een zienswijze van de gemeente Hof van Twente.

De zienswijzen zijn opgenomen en verwerkt in de zogenaamde Nota van Antwoord, waarin is  aangegeven wat met de zienswijzen is gedaan. Op 13 juli 2012 heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu de definitieve Notitie Reikwijdte en Detailniveau van de MER PHS Goederenroutering Oost.Nederland vastgesteld. De definitieve notitie beschrijft de aanpak van de studies voor het Milieueffectrapport (MER), de tracévarianten die worden bestudeerd en hoe gedetailleerd deze varianten worden bestudeerd. Hieronder is te lezen hoe de minister heeft geantwoord op de door de gemeente Hof van Twente ingediende zienswijze.

BRZO.bedrijf

Gemeente:

Wij willen graag uw aandacht vragen voor Elementis, een bedrijf dat direct is gelegen aan het spoor in Delden. Het betreft namelijk een BRZO.bedrijf. De gemeente Hof van Twente vindt het van groot belang dat hier in de MER.studie de nodige aandacht aan wordt gegeven.

Reactie Minister:

Bij het risico onderzoek in het kader van het MER zal ook gekeken worden naar eventuele cumulatie van risico’s in combinatie met bestaande objecten langs het spoor. In het kader van het MER gaan we tevens in kaart brengen of en welke BRZO-bedrijven aanwezig zijn in de (nabije) omgeving van de spoorlijnen. Mocht dit zo zijn dan worden de mogelijke risico’s in combinatie met het spoorvervoer onderzocht, en in het uiterste geval wordt overwogen of zo’n bedrijf verplaatst moet worden. Dit is niet specifiek gereserveerd in het budget maar dit kan de uitkomst zijn van met m.e.r.-onderzoek.

Luchtkwaliteit

Gemeente:

In de Wet milieubeheer zijn normen (grenswaarden en plandrempels) vastgesteld voor diverse stoffen, zoals stikstofdioxide (NOx) en zwevende deeltjes fijn stof (PM10). Door langere dichtligtijden van de spoorbomen, zal autoverkeer vaker moeten wachten. Wordt er ook rekening gehouden met de toename van uitstoot van stikstofoxiden (NO2) en fijn stof (PM10) door wachtende auto’s? Welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat een toename van deze uitstoot leidt tot aantasting van de gezondheid en leefbaarheid ter plaats van spoorwegovergangen?

Reactie Minister:

Op locaties waar de kans op overschrijding van de grenswaarde bestaat, wordt de emissie van het wegverkeer meegenomen. Bij wachtende voertuigen is er sprake van tijdelijke emissie en de concentratie wordt dientengevolge over 24 uur bepaald. Indien blijkt dat de grenswaarden kunnen worden overschreden, worden maatregelen voorgesteld om de concentraties beneden de grenswaarde te krijgen.

Geluid

Gemeente:

Kenmerkend voor spoorweglawaai is het optreden van relatief hoge pieken bij treinpassages gevolgd door stille perioden. In wettelijke geluidproductieplafonds (GPP’s) staan jaargemiddelde normen. De GPP’s reguleren het spoorweglawaai in zoverre dat als het aantal treinpassages toeneemt de afzonderlijke pieken minder hoog mogen zijn om aan de norm voor het gemiddelde te kunnen voldoen. Inzichtelijk moet worden gemaakt wat dat betekent voor de hinderbeleving. Geven 80 passages van goederentreinen bestaand uit grotendeels stil materieel meer of minder hinder dan de ca 15 passages van goederentreinen met regulier materiaal waar de GPP’s op zijn gebaseerd. Wat betekent het verwachte aantal goederentreinpassages in de nachtperiode voor eventuele slaapverstoring?

Reactie Minister:

In de Wet geluidhinder zijn de grenswaarden voor railverkeerslawaai vastgelegd. De voorkeursgrenswaarde in bestaande situaties bedraagt 55 dB(A) en bij nieuwe situaties geldt een maximaal toelaatbare grenswaarde van 68 dB(A). Per 1 juli 2012 geldt nieuwe wetgeving voor de aanleg en wijziging van hoofdwegen en hoofdspoorwegen, die is vastgelegd in hoofdstuk 11 van de Wet milieubeheer.

Met invoering van de wetgeving gelden de zogenaamde geluidproductieplafonds. Bij de berekening van de geluidbelasting wordt gebruik gemaakt van referentiepunten op 50m en 100m afstand vanaf de hoofdspoorwegen. Bij overschrijding van de geluidproductieproductieplafonds gelden de normen voor de toelaatbare geluidbelasting op achterliggende bebouwing die gesteld worden in de Wet geluidhinder. Op basis van deze normen wordt de afweging gemaakt welke eventuele maatregelen getroffen worden.

De MER gaat ook in op het aspect gezondheid waarbij voor geluid naast het aantal “ernstig gehinderden” ook het aantal “ernstig slaapgestoorden” aangegeven zal worden. Hiervoor wordt via berekeningen inzicht gegeven in de blootstelling van de geluidbelasting op de meest belaste gevel vanaf 45 dB Lden voor ernstige hinder en vanaf 45 dB Lnight voor ernstige slaapverstoring. Ook het aantal blootgestelden vanaf 55 dB Lnight zal aangegeven worden.

Trillingen

Gemeente:

Langs de IJssellijn en Twentelijn hebben verschillende trillingsmetingen plaatsgevonden. Op basis daarvan kan enige inschatting worden gemaakt van de aard en omvang van de trillinghinder. Over de Twentekanaallijn heeft in 2009 gedurende enige maanden één goederentrein per dag gereden. De loop van deze trein is beëindigd vanwege strijdigheid met de Wet geluidhinder. Wij ontvingen echter vooral klachten over trillinghinder ten gevolge van deze trein. Ook van de gemeente Hengelo hebben wij begrepen dat de trillinghinder van deze trein sterker werd ervaren dan de geluidhinder.

Mede om deze reden vragen wij ons af of de onderbouw van- en de ondergrond langs de Twentekanaallijn zodanig vergelijkbaar zijn met de Twentelijn dat op basis van de beschikbare metingen langs de Twentelijn betrouwbare voorspellingen voor de Twentekanaallijn gedaan kunnen worden. Wij bepleiten daarom ook praktijkmetingen langs de Twentekanaallijn. Tevens twijfelen wij er aan of het probleem van trillinghinder voldoende verankerd zal worden in wetgeving, waardoor voor vele burgers de leefbaarheid mogelijk toch wordt aangetast en zij veel meer overlast gaan ervaren. Hoe wordt gewaarborgd dat er door de toename aan goederentreinen over een spoortraject geen trillinghinder optreedt voor aanwonenden?

Reactie Minister:

In het MER worden trillingen berekend met een modelberekening, waarin ook reeds uitgevoerde trillingsmetingen in het onderzoeksgebied worden betrokken. De modelberekening houdt rekening met de volgende aspecten waarvan bekend is dat ze van invloed zijn:

• verschillende onderscheidende bodemtypen langs het traject;

• aantallen en typen treinen;

• wissels;

• overgangen en kunstwerken;

• gebouwconstructie (fundering, constructie)

In het berekende trillingsniveau zijn de onzekerheden die gepaard gaan met de bovenstaande invloedsfactoren verwerkt. Er wordt daarbij uitgegaan van een ongunstige situatie. Het rekenmodel is gevalideerd aan de hand van metingen. In de definitieve Notitie Reikwijdte en Detailniveau van het MER is aangegeven wat en hoe wordt onderzocht op het aspect trillingshinder.

Externe veiligheid

Gemeente:

Voor de externe veiligheid gaan wettelijke risicoplafonds gelden. Net als voor de GPP’s geldt ook voor de risicoplafonds dat deze moeten worden nageleefd en dat varianten voor wat betreft dit aspect daarom alleen kunnen worden vergeleken voor wat betreft eventuele maatregelen die nodig zijn om aan het plafond te kunnen voldoen.

Voor wat betreft de hoogte van het (middels het wetsvoorstel Basisnet voorgestelde) risicoplafond zijn er wel grote verschillen tussen de varianten via de Twentelijn en de variant via de Twentekanaallijn. Betekent een eventuele keuze voor een variant via de Twentelijn dat de risicoplafonds voor de Twentekanaallijn en voor de trajectdelen Elst – Zutphen en Hengelo. Oldenzaal zullen worden verlaagd? Of moet in dit geval nog steeds rekening worden gehouden met een substantiële hoeveelheid vervoer van gevaarlijke stoffen over de Twentekanaallijn?

Reactie Minister:

Zoals is aangegeven in de Notitie Reikwijdte en Detailniveau van het MER (par. 5.3) gelden de in Basisnet vastgestelde risicoplafonds als randvoorwaarde voor de PHS-plannen. In principe worden die plafonds ook niet gewijzigd, ook niet nadat in PHS-kader een keuze zal zijn gedaan voor de route tussen Zutphen en Hengelo. De in Basisnet vastgestelde risicoruimte op de Twentekanaallijn zal dus blijven bestaan, ook als in PHS-kader wordt gekozen voor een andere tracévariant.

Brieven naar de Tweede Kamer

Gemeente:

Wij hebben een tweetal brieven naar de Tweede Kamer gestuurd betreffende het inmiddels aangenomen wetsvoorstel SWUNG en het wetsvoorstel Basisnet. De Wet SWUNG maakt het mogelijk dat er goederentreinen kunnen gaan rijden op de Twentekanaallijn, terwijl dat tot nu toe niet mogelijk was. De Wet Basisnet limiteert het vervoer van gevaarlijke stoffen naar onze mening slechts in beperkte mate.

Reactie Minister:

De nieuwe wet Geluidhinder (SWUNG) is sinds 1 juli 2012 van kracht. Het wetsvoorstel Basisnet is inmiddels op 19-06-2012 door de Tweede Kamer vastgesteld; zie ook het antwoord op de zienswijze hierboven. Door de invoering van Basisnet lopen de burgers van Goor en Delden geen hogere risico’s, maar kleinere risico’s dan thans. Het risicoplafond op de Twentekanaallijn laat veel kleinere risico’s toe dan de ongelimiteerde risico’s die thans op die spoorlijn zijn toegestaan.

link